Uitgelicht

Napoleon Bonaparte 1811-2011

Op 9 oktober is het 200 jaar geleden dat Keizer Napoleon Bonaparte tijdens zijn bezoek aan Amsterdam in het Paleis op de Dam logeerde. Holland, in eerste instantie een koninkrijk onder het bewind van Napoleons broer Lodewijk, werd na zijn troonsafstand in 1810 onderdeel van het Franse Keizerrijk. Amsterdam werd daardoor de derde stad van Napoleons rijk.

De enige beeltenis van Napoleon in het Koninklijk Paleis is een pendule met de kleine keizer als Caesar. Napoleon staat gekleed in een toga naast de console met het uurwerk welke gedecoreerd is met symbolen van het Romeinse rijk, een zittende veldheer en een wapenuitrusting. De pendule staat symbool voor de keizer die land en volk de mogelijkheden tot handel, kunsten en wetenschap teruggeeft na geleverde strijd. De Franse klok werd voor 4.200 gulden via de Haagse klokkenmaker P. Reeder aangekocht . Het was de duurste en grootste klok die Lodewijk Napoleon voor het Amsterdamse Paleis aanschafte.

Pendule 'Keizer Napoleon Bonaparte als Caesar', Koninklijk Paleis Amsterdam (foto E. & P. Hesmerg).

Muzikaal intermezzo

De piano in de Schepenzaal of Troonzaal van het Koninklijk Paleis is onderdeel van de collectie meubelen en objecten uit de periode 1808-1810 – de periode waarin koning Lodewijk Napoleon het voormalig stadhuis van Amsterdam voor het eerst in gebruik nam als paleis. Aan het hof van Hollands Franse koning was muziek een belangrijk element in het hofleven. Muzikanten maakten zelfs deel uit van de hofhouding, Bij paleisconcerten in kleine kring speelden zij kamermuziek en lichte dansmuziek tijdens de hofbals in de ‘Grande Salle’, de Burgerzaal. 

Het Koninklijk Paleis telde in het begin van de 19de eeuw meerdere piano’s van Franse en Nederlandse makelij. Dit rechthoekige instrument, een zogenaamde tafelpiano, was geleverd door de Nederlandse broers Meincke en Pieter Meyer. De Meyers waren bekende pianobouwers in Amsterdam. Zij maakten in totaal drie piano’s voor Lodewijk Napoleon, waarvan twee voor het Paleis op de Dam. Na de voltooiing van hun grote opdracht mochten de broers zich voortaan ‘Pianoforte Fabrikeurs van Hunne Majesteiten’ noemen.

Tafelpiano in de Schepenzaal. Foto Erik & Petra Hesmerg

Zwijgen is goud

Boven een van de toegangsdeuren van de secretarie van het voormalige stadhuis van Amsterdam is een reliëf te vinden van Rombout Verhulst, assistent van de beroemde beeldhouwer Artus Quellinus. Het reliëf stelt stilzwijgendheid voor, één van de belangrijkste functies van de secretaris. Van een secretaris wordt namelijk verwacht dat hij niet spreekt over de zaken die hij via zijn beroep hoort. Secretaris komt dan ook van het Latijnse woord secretus wat ‘geheimschrijver’ betekent.

Op het reliëf zien we een zittende vrouw met een vinger op de lippen als teken van stilte, leunend tegen een dolfijn. Een dolfijn werd in de zeventiende eeuw gezien als een vis. De vis is een toepasselijk symbool van zwijgzaamheid, omdat het dier geen geluid maakt. Achter de vrouw is een gans afgebeeld met een steen in de bek. De gans komt uit een legende. Ganzen vliegen jaarlijks van het oosten naar het westen, maar dat is een gevaarlijke reis. Ganzen roepen tijdens het vliegen en daarmee trekken ze de aandacht van roofvogels zoals adelaars. Volgens de legende kwam een slimme gans op het idee een steen in zijn bek te nemen zodat hij niet meer kon roepen. Het dier kwam veilig over het gebergte heen, de overige ganzen volgden zijn voorbeeld.

Stilzwijgendheid

Sterrenstof

Tijdens Koninklijke evenementen ligt er in de Burgerzaal een uit verschillende delen bestaand vloerkleed om de marmeren vloer met ingelegde wereldkaarten te beschermen. Door de jaren heen was het oude tapijt geheel versleten. Daarom is aan kunstenares Ria van Eyk in de jaren negentig gevraagd om een nieuw tapijt te ontwerpen passend bij de zaal, haar vloer en de geschiedenis van het Paleis op de Dam.

Nooit eerder is er in Nederland een tapijt van een omvang van 600 vierkante meter (31,84 x 17,75 meter) geweven. De meer dan duizend kleuren die Van Eyk in haar ontwerpschetsen had gebruikt, zijn uiteindelijk teruggebracht tot acht kleuren aangevuld met zwart, wit en grijs. Het ontwerp zelf, een gigantische sterrenhemel,  is gebaseerd op een door Van Eyk gekozen foto van het Melkwegstelsel. In het midden van het vloerkleed is de komeet Hale-Bopp te zien, die in 1997 gedurende achttien maanden zichtbaar was. Door alle 21ste-eeuwse technologieën ziet de sterrenhemel er in vergelijking met de sterrenkaart uit de 17de eeuw zoals verbeeld in de middelste marmeren kaart compleet anders uit.

Het tapijt in de Burgerzaal

Negentiende-eeuwse schittering

Blikvanger in verschillende zalen in het Koninklijk Paleis zijn de enorme kroonluchters. De schitterende kroonluchter in het Burgemeestersvertrek – gewicht 720 kilo, ruim drie meter hoog en een diameter van twee en een halve meter – is het grootste exemplaar in het Paleis. De kroonluchter was verdwenen naar de meubelzolders en werd tijdens de recente restauratie ‘teruggevonden’.

De kolossale kroonluchter is van gegoten messing en werd door Koning Willem III besteld, aanvankelijk voor Paleis het Loo. Vrij snel daarna, in 1877, werd de kroonluchter verplaatst naar het Koninklijk Paleis Amsterdam. In zekere zin kan hij nu symbool staan voor het feit dat het gebouw inmiddels langer als paleis functioneert dan ooit als stadhuis.

Kroonluchter in het Burgemeestersvertrek

Geschilderde illusies

Jacob de Wit (1695-1794), was een schilder die in de 18e eeuw bekend werd door zijn bedrieglijk echt weergeven van beeldhouwwerk. De Wit heeft in de Mozeszaal van het Paleis diverse werken geschilderd, waaronder vier friezen met ‘putti’ waarboven bas-reliefs in grijze tinten, gevat in nagebootste ovalen lijsten, zijn aangebracht. Deze werken zijn ook bekend onder de naam ‘witjes’. Doordat de schilderijen in hun architectonische omgeving zijn opgenomen lijkt het of ze echt zijn. Dit wordt trompe-l’oeil’ effect ofwel ‘gezichtsbedrog’ genoemd. Helaas is in de loop der tijd het ‘trompe-l’oeil effect deels verdwenen.

Witjes in de Vroedschapszaal

De God Apollo van kunstenaar Artus Quellinus

De miniatuurwereld die in het gebouw verbeeld wordt, is begrensd door acht bijna vrijstaande marmeren figuren in de uiterste hoeken van de galerijen. Ze stellen de zeven Romeinse goden of planeten voor én de godin van de aarde, Cybele. De Romeinen gingen ervan uit dat de planeten uit het universum het bezit van hun goden waren en daarom zijn de planeten naar hen genoemd.

Als een van de eerste beeldhouwwerken voor de “belle etage” vervaardigde Quellinus in 1651 de god Apollo. De inspiratie voor dit beeld, dat waarschijnlijk als proeve van bekwaamheid voor de overige zeven godenbeelden gold, ontleende Quellinus aan zijn Antwerpse stadsgenoot Rubens. Deze had meerdere malen een in houding en attributen vergelijkbare Apollo in zijn schilderijen verwerkt. Het beeld van Apollo is het meest virtuoze van de acht beelden. De proporties van het lichaam in een moeilijk in marmer uit te drukken houding, en de prachtige stofuitdrukking van bijvoorbeeld de huid en de doek om zijn lendenen en in contrast daarmee het geschubde vel van het monster aan zijn voeten, zijn uitzonderlijk geslaagd. Het monster aan zijn voeten is de slang der duisternis, Python, bewaker van de tempel te Delphi, die door de Apollo met vlammende pijlen werd gedood. De dag breekt aan en Apollo staat voor de Zon.

Apollo was naast alle andere symbolische betekenissen ook een patroon van de kunstenaars en dus ook van beeldhouwer Quellinus. Werd het vanwege deze betrokkenheid een waar meesterwerk?

Artus Quellinus, Apollo