Geschiedenis
Oorspronkelijk is het Koninklijk Paleis Amsterdam in de zeventiende eeuw ontworpen als stadhuis voor de gehele bestuurlijke en rechterlijke macht van Amsterdam.
De beroemde bouwmeester Jacob van Campen krijgt de opdracht in 1648 van de Burgemeester en Schepenen van Amsterdam. Amsterdam was toen het grootste handelscentrum van de wereld. Dit trok veel mensen aan, waardoor het aantal inwoners in de loop van één eeuw zes keer zo groot werd. Het gevolg was dat ook de bestuurlijke taken van de stad toenamen. Het oude gotische stadhuis bleek te klein. De in heel Europa beroemde Wisselbank in het stadhuis was ook niet meer berekend op zijn groeiende taak. Besloten werd een nieuw stadhuis te bouwen, groter en mooier, een handelsmetropool als Amsterdam waardig. Jacob van Campen ontwierp een voor Hollandse begrippen buitengewoon monumentaal gebouw met classicistisch voorkomen, een gebouw dat herinnerde aan de architectuur van de Grieken en Romeinen.
Niet alleen in de architectuur, ook in de decoratie werd de macht en het aanzien van Amsterdam als wereldhandelscentrum tot uitdrukking gebracht. Hiervoor werden toonaangevende kunstenaars aangetrokken, zoals de Antwerpse beeldhouwer Artus Quellinus, die samen met anderen de ontwerpen van Van Campen uitwerkte in olieverf en steen. Verschillende kostbare steensoorten werden gebruikt. Daarnaast werden de belangrijkste vertrekken van op de functie toegesneden schilderijen voorzien. Hiervoor gingen de opdrachten naar bekende schilders als Rembrandt van Rijn, Ferdinand Bol en Govaert Flinck.
In 1655 werd het stadhuis in gebruik genomen, hoewel het nog lang niet klaar was. Amsterdammers noemden het gebouw trots hun Wereldwonder. Het was volgens dichter Vondel als de kroon op de schepping, gebouwd als het lichaam van de mens, ‘Het heeft zijn middenlijf, zijne armen, voeten hooft, en schouders … ingewanden, Elck lidt, elck ingewant zijn ampt, gebruick en standen’. Hiermee was het behalve een praktisch tevens een religieus gebouw, een ode aan de schepping waarin alle pracht en praal verwijst naar een hogere macht.
Na anderhalve eeuw, in 1808, krijgt het stadhuis een andere bestemming.
Napoleons broer, Lodewijk Napoleon, die toen twee jaar koning van Holland was, werd de bewoner. De zeventwintigjarige Lodewijk had een verarmd land aangetroffen dat hem met mededogen vervulde. Hij stond, tot ergernis van zijn keizerlijke broer, oogluikend toe dat er handel werd gedreven met de Engelse vijand die de Franse keizer juist economisch wilde isoleren van de rest van Europa. Alle stedelijke instellingen werden uit het gebouw gezet. Het leek echter gezien de slechte economie van het land verstandig om de Wisselbank niet te verkassen. Een Koninklijk Paleis met een Wisselbank aan huis was volstrekt uniek in de wereld.
De kostbare inrichting met Empire meubels geeft een idee van hoe het gebouw omgetoverd werd van een stedelijk kantorencomplex naar een in de Franse Empirestijl ingericht Koninklijk Paleis. De altijd hervormingsgezinde Lodewijk trachtte vanuit het Paleis een duidelijke stempel op de vervallen stad te drukken. De slechte drinkwatervoorziening, de dichtgeslibde haven, de zuivering van de grachten en de gewoonte om de doden in de binnenstad te begraven werden voortvarend aangepakt. Het aloude waaggebouw midden op de Dam werd in tegenstelling tot de Wisselbank niet chique bevonden en op last van de koning en onder protest van de burgers afgebroken.
Het zou niet lang meer duren voordat Napoleons geduld op was en Lodewijk het land haastig zou moeten verlaten om de rest van zijn leven vergeefs te blijven dromen over zijn jaren als koning van Holland. Amsterdam was na Parijs en Rome nog enige tijd de derde hoofdstad van het Napoleontische keizerrijk. Het Amsterdamse stadhuis was nog even het derde keizerlijke paleis in de nadagen van het Napoleontische rijk. Vrijwel alle buitengewoon kostbare meubels uit die tijd zijn achtergebleven en behoren tot een van de best bewaard gebleven en meest complete Empire collecties ter wereld.
In 1813 geeft Prins Willem van Oranje, de latere Koning Willem I, het Paleis in eerste instantie terug aan Amsterdam. Na zijn inhuldiging ziet Willem I echter het belang in van een verblijfplaats in de hoofdstad. Het gemeentebestuur van Amsterdam stelt het voormalige stadhuis op zijn verzoek opnieuw ter beschikking aan de Koning.
In 1936 heeft de stad Amsterdam het voormalig stadhuis verkocht aan de Nederlandse Staat. Het stadsbestuur had na veel wikken en wegen besloten dat het gebouw in de toekomst niet meer geschikt zou zijn als stadhuis. Bovendien was ook een ingrijpende restauratie noodzakelijk om het gebouw in oude luister te herstellen. Het nieuwe rijksgebouw werd in gebruik genomen door Koningin Wilhelmina, die er in 1938 haar veertigjarige regeringsjubileum vierde.
Het Koninklijk Paleis Amsterdam is één van de drie Paleizen die gebruikt worden door het Koninklijk Huis. Het Paleis wordt vandaag de dag onder meer gebruikt tijdens staatsbezoeken, voor de Nieuwjaarsrecepties van de Koningin en voor andere officiële ontvangsten. Ook vinden er jaarlijks de uitreiking van de Erasmusprijs, de Zilveren Anjer, de Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst en de Prins Claus Prijs plaats.
Op de momenten dat de Koningin en de leden van het Koninklijk Huis geen gebruik maken van het Paleis, wordt het gebouw door de Stichting Koninklijk Paleis Amsterdam opengesteld voor het publiek. Daarnaast vinden er tweemaal per jaar publiektoegankelijke tentoonstellingen plaats.