Nederlanders op weg naar de Shôgun van Japan
24 juni t/m 24 september 2000
Tentoonstelling in het teken van 400 jaar betrekkingen tussen Nederland en Japan.
Vanaf 1609 werd voor het eerst een hofreis georganiseerd door de Nederlanders van de handelspost Hirado, en vanaf 1641 van het eiland Deshima naar de stad Edo het huidige Tokio. Het Nederlandse “opperhoofd” werd geacht de reis jaarlijks te maken om daarmee het handelsmonopolie te behouden. De Shogûn was de feitelijke militaire heerser en maakte de Hollanders voortdurend duidelijk dat zij de ontvangst als een uitzonderlijke eer dienden te beschouwen. Ze moesten kostbare en zeldzame geschenken brengen volgens de zogeheten “Eijschen van Zijn Keizerlijke Hoogheid”.
De Shôgun was vooral geïnteresseerd in wetenschappelijke instrumenten, paarden en honden voor de jacht, olifanten en kamelen. Deze producten van overzee brachten, zo geloofde men, behalve status ook geluk. Uit dankbaarheid werden ook tegengeschenken aan de Nederlanders aangeboden. De reis van 1500 kilometer nam ongeveer een maand in beslag. Tijdens de overnachtingen werd het kleurrijke gezelschap vaak onthaald door lokale gezagdragers. De Japanners waren soms zo onder de indruk van de kennismaking met de Nederlandse cultuur, dat ze zich als Nederlanders gingen kleden, hun huis westers inrichtten en zelfs een Nederlandse naam aannamen. Zo noemde de burgemeester van Shimonoseki zich na een memorabel bezoek “Van den Berg”. Het gezantschap kenmerkte zich voor de Japanners ook door een penetrante Hollandse geur. Een volksgedichtje luidde “Wanneer de Hollanders naar het kasteel van de shôgun gaan, dan zwermen vliegen hen na”. Na het invallen van de duisternis werden de Nederlanders vooral bezocht door Japanse intellectuelen, die tot diep in de nacht hun kennis omtrent de westerse wetenschappen trachtten te vergroten. Vooral factorijartsen als bijvoorbeeld de beroemde natuuronderzoeker en arts van Koning Willem I Ph. F. von Siebold (1796-1866), die in 1826 aan een hofreis deelnam, hebben in belangrijke mate tot dergelijke kennisuitwisseling bijgedragen. Bij de openstelling van Japan rond 1860 kwam er een einde aan de hofreizen.
Op de tentoonstelling kon men aan de hand van kunstvoorwerpen, objecten, tegengeschenken van de Shôgun en Japanse documentaire prenten kennis kunnen nemen van de invloed van deze jaarlijkse reis op de wederzijdse beeldvorming tussen Nederland en Japan.
